Commissie van beroep hbo: de door de werkgever opgelegde ‘waarschuwing’ is aan te merken als een schriftelijke berisping

Op 27 januari 2021 deed de Commissie van beroep hbo uitspraak in een beroep van een werknemer tegen een waarschuwing. De werknemer is werkzaam als hogeschooldocent en is tevens examinator. Zij is het niet eens met de waarschuwing en gaat daartegen in beroep bij de Commissie.

Wat was de situatie?

Als examinator is de docent betrokken geweest bij de beoordeling van een examen van een studente. Ook een collega heeft deze studente geëxamineerd. De collega kent de studente persoonlijk, omdat hij weleens heeft samengewerkt met de vader van de studente. De docent is op de hoogte van de werkrelatie van de collega. De werkgever verwijt de collega dat hij de schijn van belangenverstrengeling op zich heeft geladen, door iemand te examineren die hij persoonlijk kent. Hij wordt geschorst als examinator.
De werkgever legt de docent een waarschuwing op. Haar wordt verweten dat zij op de hoogte was van de werkrelatie tussen haar collega en de vader van de studente, en dat zij de werkgever daarvan niet op de hoogte heeft gesteld.

Disciplinaire maatregelen in cao hbo

Op grond van artikel S-2 lid 2 cao hbo kan een werknemer in beroep gaan tegen een besluit van de werkgever tot schorsing of een disciplinaire maatregel. De verschillende disciplinaire maatregelen zijn: schriftelijke berisping, overplaatsing en schorsing (artikel P-3 lid 2 cao hbo). Tegen een waarschuwing staat geen beroep open bij de Commissie.

Beoordeling door de Commissie

De Commissie heeft al vaker geoordeeld dat een waarschuwing, onder omstandigheden, kan worden aangemerkt als een schriftelijke berisping. Dat is het geval als de waarschuwing een disciplinair karakter heeft. De Commissie beoordeelt dat aan de hand van een aantal factoren, zoals het onderwerp van en de woordkeuze in de brief, de gevolgen van de brief en de context waarin deze is gestuurd.

In deze zaak had de werkgever in de brief opgenomen dat de werknemer binnen twee jaar op geen enkele wijze de schijn van onvoldoende integer handelen bij het afnemen van tentamens tegen zich mag hebben. Anders zou haar een schorsing van het examinatorschap voor twee jaar worden opgelegd. Ook zou bekeken worden of de schorsing tot ontslag als examinator zou moeten leiden. De Commissie oordeelde dat er niet slechts sprake was van een waarschuwing, maar dat er verdergaande consequenties zouden kunnen volgen. Daarom was de waarschuwing feitelijk gelijk te stellen aan een schriftelijke berisping, waartegen de werknemer dus in beroep kon bij de Commissie. De Commissie oordeelde het beroep gegrond, omdat de werknemer geen plichtsverzuim kon worden verweten.

Andere beroepszaken over schorsing

Ook in de beroepen 108845, 107969 en 107626 oordeelde de (desbetreffende) Commissie dat de aan de werknemer opgelegde waarschuwing aan te merken was als schriftelijke berisping.
In de beroepen 108844 en 108240 oordeelde de (desbetreffende) Commissie juist dat de waarschuwing geen schriftelijke berisping was. In die zaken werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Downloaden