Ondernemingskamer bevestigt de uitspraak LCG WMS in een nalevingsgeschil over de kosten van rechtsbijstand die de OMR had gemaakt in een instemmingsgeschil voor de Commissie

Op 14 december 2018 deed de Landelijke Commissie voor Geschillen WMS (LCG WMS) uitspraak (108365) in onder meer een nalevingsgeschil over de kosten van rechtsbijstand die de OMR had gemaakt in een instemmingsgeschil voor de Commissie.
De LCG WMS oordeelde dat het bevoegd gezag die kosten niet hoeft te vergoeden, omdat de advocaat bij herhaling geweigerd had een raming van de te maken kosten te geven.
Tegen deze uitspraak stelde de OMR beroep in bij de Ondernemingskamer.
De Ondernemingskamer deed op 1 mei 2019 uitspraak en verwierp het beroep van de OMR.

Uitspraak LCG WMS​

De school is per 1 augustus 2018 gesloten. De OMR weigerde in te stemmen met de voorgestelde regeling van de gevolgen voor ouders/leerlingen van de sluiting. Daarop vroeg het bevoegd gezag de Commissie om vervangende instemming voor zijn voorstel. En het bevoegd gezag weigerde de kosten van de advocaat van de OMR voor het bijstaan van de OMR in dat instemminggeschil te vergoeden.
De Commissie gaf het bevoegd gezag toestemming om het besluit tot regeling van de gevolgen van de sluiting van de school te nemen. Het verzoek van de OMR (nalevingsgeschil) tot vergoeding van de kosten van het voeren van het instemmingsgeschil, wees de Commissie af. Het bevoegd gezag had de advocaat van de OMR meermaals verzocht om een kostenraming. Maar de advocaat verstrekte die niet. De Commissie oordeelde dat die kosten dan ook niet voor vergoeding door het bevoegd gezag in aanmerking komen: een bevoegd gezag moet in de gelegenheid gesteld zijn om zich een oordeel te vormen over de noodzakelijkheid van de te maken kosten van rechtsbijstand. Dat had de OMR of haar advocaat niet gedaan. 
Maar de kosten voor het voeren van het nalevingsgeschil bij de Commissie kwamen volgens de Commissie wel voor vergoeding in aanmerking omdat dat altijd noodzakelijke kosten zijn; de Commissie waardeerde deze kosten op 7 uur tegen het geldende tarief van de advocaat.

Oordeel Ondernemingskamer 

De OMR stelde alleen beroep in tegen het onderdeel van de uitspraak van de Commissie dat het nalevingsgeschil betrof, meer bepaald de kosten van rechtsbijstand van de advocaat. 
De Ondernemingskamer bevestigde het oordeel van de Commissie over de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in het instemmingsgeschil bij de Commissie: de advocaat van de OMR had tegenover het bevoegd gezag opgave moeten doen van de te maken kosten in het instemmingsgeschil. Omdat hij dat had nagelaten, heeft de Commissie volgens de Ondernemingskamer terecht geoordeeld dat het bevoegd gezag die kosten niet moet vergoeden.
Ook bevestigde de Ondernemingskamer het oordeel van de Commissie over de kosten van rechtsbijstand in het nalevingsgeschil bij de Commissie: de kosten van een nalevingsgeschil komen altijd voor vergoeding in aanmerking en de Commissie heeft die kosten juist geraamd.
Voorts begrootte de Ondernemingskamer de kosten voor het voeren van de procedure voor de Ondernemingskamer (die immers ook het nalevingsgeschil betrof) op 10 uur tegen het geldende tarief van de advocaat.

Downloaden

Meer uitspraken Ondernemingskamer

Ga naar uitspraken Ondernemingskamer voor alle uitspraken van de Ondernemingskamer over de WMS