Ondernemingskamer bevestigt uitspraak LCG WMS in adviesgeschil begroting en in nalevingsgeschillen begroting en vergoeding kosten deskundige, maar kent hogere vergoeding toe van kosten rechtsbijstand bij de LCG WMS

De Landelijke Commissie voor Geschillen LCG WMS deed op 19 november 2019 uitspraak (108866) in een advies- en nalevingsgeschil over de begroting van een school. De Commissie verklaarde het verzoek van de MR niet-ontvankelijk. De MR had ook een nalevingsgeschil over de vergoeding van de kosten van een deskundige en het voeren van rechtsgedingen ingediend. De Commissie wees het nalevingsverzoek in zoverre toe dat deze kosten van de MR ten laste komen van het bevoegd gezag tot een bedrag van in totaal € 7.000,- inclusief btw.

Tegen deze uitspraak van de LCG WMS stelde de MR beroep in bij de Ondernemingskamer. De Ondernemingskamer deed op 8 april 2020 uitspraak en verklaart het beroep ongegrond voor zover het is gericht tegen de beslissing van de LCG WMS dat de MR niet-ontvankelijk is in zijn verzoek tot behandeling van het geschil over de begroting 2019.
De Ondernemingskamer verklaart het beroep gegrond voor zover het is gericht tegen de vaststelling van de kosten van het raadplegen van een deskundige en het voeren van rechtsgedingen.

Uitspraak LCG WMS

De Commissie stelde vast dat de Wet medezeggenschap op scholen (Wms) en het medezeggenschapsreglement geen bepalingen bevatten dat de MR adviesrecht heeft over de jaarbegroting. Dat het bevoegd gezag al jaren advies heeft gevraagd, betekent niet dat de MR dat adviesrecht nu ook toekomt. Daarom verklaart de Commissie het verzoek van de MR niet-ontvankelijk.

Verder zijn volgens de Commissie de kosten van rechtsbijstand in een nalevingsgeschil over de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, in ieder geval redelijkerwijze noodzakelijke kosten. Maar de Commissie oordeelt dat een bedrag dat kan oplopen tot meer dan € 15.000 geen redelijk bedrag is, gezien de aard en de omvang van het geschil. Daarom matigt de Commissie het door de MR in rekening te brengen bedrag tot € 7.000.

Oordeel Ondernemingskamer

Net als de Commissie is de Ondernemingskamer van oordeel dat de MR alleen adviesbevoegdheid heeft bij de vaststelling van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid. De begroting voor 2019 kan niet als een vaststelling van het meerjarig financieel beleid worden aangemerkt. In het MR-reglement is geen aanvullende adviesbevoegdheid over de jaarbegroting opgenomen. Het enkele verzoek van de rector aan de MR om over de begroting 2019 te adviseren doet geen adviesbevoegdheid als bedoeld in artikel 11 Wms ontstaan.

De Ondernemingskamer verklaart het beroep gegrond voor zover het is gericht tegen de vaststelling van de kosten van het raadplegen van een deskundige en het voeren van rechtsgedingen. Maar ook de Ondernemingskamer is van oordeel dat het bedrag, dat in rekening is gebracht voor de procedure bij de Commissie en de procedure bij de Ondernemingskamer, in geen verhouding staat tot de aard en de omvang van het geschil en dat die kosten niet als redelijk kunnen worden aangemerkt. 

De Ondernemingskamer bevestigde de uitspraak van de Commissie dat voor de advieskosten van de advocaat 10,5 uur in rekening gebracht kan worden. Voor de procedure bij de Commissie komen volgens de Ondernemingskamer in totaal 15 uur voor vergoeding in aanmerking. Dat is ruim 5 uur meer dan hetgeen de Commissie daar omgerekend voor had toegekend. Voor de rechtsbijstand in de procedure bij de Ondernemingskamer stelde de Ondernemingskamer een vergoeding van 10 uur vast.

Downloaden​

  • Beschikking Ondernemingskamer d.d. 8 april 2020, gepubliceerd op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHAMS:2020:1089
  • Uitspraak LCG WMS d.d. 19 november 2019 (108866)

Meer uitspraken Ondernemingskamer

Ga naar uitspraken Ondernemingskamer voor alle uitspraken van de Ondernemingskamer over de Wms