VN-verdrag handicap en doorwerking in rechtsverhouding tussen ouder en school

Op 14 juli 2016 is in Nederland het Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap (VRPH) in werking getreden. Dit Verdrag, dat ook wel VN-verdrag handicap of Gehandicaptenverdrag wordt genoemd, heeft tot doel het bevorderen, beschermen en waarborgen van de mensenrechten van mensen met een beperking. Artikel 24 van dit Verdrag gaat over onderwijs.
Bij de Geschillencommissie passend onderwijs (GPO) en het College voor de Rechten van de Mens is door verschillende ouders een beroep gedaan op dit Verdrag. Het ging in deze zaken om leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte die werden verwijderd van een reguliere school. 

GPO: verwijderingsbesluit wordt niet belemmerd door het VN-verdrag

De Geschillencommissie passend onderwijs (GPO) bracht op 4 april 2017 advies uit in een geschil over een verwijderingsbesluit, waarbij de moeder een beroep had gedaan op het Gehandicaptenverdrag (advies 107566). De leerling werd verwijderd van school vanwege zijn gedrag en omdat hij veiligheidsincidenten veroorzaakte op school. Zijn moeder vond dat op basis van het Gehandicaptenverdrag een leerling niet van school kan worden verwijderd, ook al veroorzaakt zijn ondersteuningsbehoefte een onevenredige belasting voor de school. Maar de GPO oordeelde dat de moeder jegens de school geen beroep op artikel 24 van het Verdrag kan doen. De bepalingen van artikel 24 VRPH richten zich namelijk tot de Staten die partij zijn bij het Verdrag en werken niet direct door in de rechtsverhouding tussen de moeder en de school. Het Verdrag bevat een opdracht aan de Staat om maatregelen te nemen om de rechten van personen met een handicap te verzekeren.
Daarom oordeelde de GPO dat het verwijderingsbesluit niet belemmerd wordt door het Verdrag. Het verwijderingsbesluit was bovendien niet onredelijk, omdat de school voldoende had gedaan aan de ondersteuningsbehoefte van de leerling.

Oordeel College voor de Rechten van de Mens

Op 4 april 2017 bracht ook het College voor de Rechten van de Mens een oordeel uit in een zaak, waarin de ouders een beroep hadden gedaan op het Gehandicaptenverdrag (Oordeel 2017-41). In deze zaak ging het om de verwijdering van een leerling met het syndroom van Down van een reguliere basisschool.

Het College toetste het handelen van de school aan artikel 1, 2 en 5b van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ), maar niet aan het Verdrag. Nederland had het Verdrag nog niet geratificeerd in de periode dat de leerling op de school was ingeschreven. De ouders hadden verder ook gewezen op de internationale ontwikkelingen voorafgaand aan de ratificatie van het Verdrag. Maar hieruit kunnen volgens het College geen verdergaande inspanningsverplichtingen voor de school worden afgeleid. Voor zover deze ontwikkelingen zouden moeten leiden tot een verdergaande inspanningsverplichting tot het bieden van inclusief onderwijs, kan deze verplichting niet bij individuele scholen worden neergelegd, aldus het College.

Over ditzelfde verwijderingsbesluit had de GPO al op 22 december 2015 advies uitgebracht (advies 107032). Zowel de GPO als het College kwam tot het oordeel dat de voor de leerling benodigde aanpassingen in dit geval voor de school onevenredig belastend zouden zijn.

VN-verdrag handicap en implementatieplan

De ratificatie van het Gehandicaptenverdrag betekent dat de overheid haar wetten en beleid moet toepassen in overeenstemming met het Verdrag. Na de ratificatie is nu de implementatiefase aangebroken. Het in maart 2017 verschenen Implementatieplan beschrijft hoe de implementatie wordt aangepakt.
Voor wat betreft het onderwijs zijn de activiteiten in het kader van het Verdrag gericht op de verdere ontwikkeling van passend onderwijs: het versterken van de mogelijkheden voor samenwerking tussen speciale en reguliere scholen en het versterken van de mogelijkheden voor kinderen om vanuit de zorg weer (meer) onderwijs te volgen. 

Downloaden

Meer informatie

Op de website van het College voor de Rechten van de Mens: