Reglement Landelijke Arbitragecommissie Samenwerkingsverbanden passend onderwijs

PREAMBULE

Bij de behandeling in de Eerste Kamer van het wetsvoorstel passend onderwijs
“is door de regering toegezegd om (1) conform de motie Backer c.s. (T01571, 33 106 / 32 812) een landelijke arbitragecommissie in te stellen, (2) ervoor te zorgen dat alle samenwerkingsver­banden weten hoe de arbitrageregeling in de statuten kan worden verwerkt, (3) de besturen erop te wijzen dat opname van de arbitrageregeling in de statuten uitermate wenselijk is en dat er alsnog een wettelijke regeling komt indien deze niet wordt opgenomen in de statuten, (4) in de tussentijd de benodigde zaken uit te voeren en te bespreken met alle relevante organen teneinde de weg vrij te maken voor eventueel benodigde wetgeving.”[1]

Motie Backer c.s:

“De Kamer, gehoord de beraadslaging, overwegende dat bij de in het kader van dit voorstel te vormen samenwerkingsverbanden grote krachtsverschillen kunnen bestaan tussen de verschillende deelnemers;
overwegende dat er zorgen zijn over de checks-and-balances en verantwoording binnen het samenwerkingsverband, onder andere over de bekostiging, ondersteuningsplan en veranderende omstandigheden;
overwegende dat daarbij grote belangen in het geding zijn, geschillen kunnen ontstaan tussen scholen en het samenwerkingsverband waarin zij deelnemen;
overwegende dat daarbij problemen kunnen ontstaan, in het bijzonder voor kleine scholen, so/(v)so-scholen en scholen die behoren tot meer dan één samenwerkingsverband;
verzoekt de regering, te voorzien in een permanente landelijke arbitragemogelijkheid om dergelijke geschillen te beslechten, en gaat over tot de orde van de dag.”[2]

BEGRIPSBEPALINGEN

Dit reglement verstaat onder

Samenwerkingsverband: het samenwerkingsverband zoals bedoeld in artikel 18a tweede lid WPO of 17a tweede lid WVO, of een landelijk samenwerkingsverband, zoals bedoeld in artikel 18a vijftiende lid WPO of artikel 17a vijftiende lid WVO.
Bevoegd gezag: het schoolbestuur dat voor één of meer scholen is aangesloten bij een samenwerkingsverband.
Commissie: de Landelijke Arbitragecommissie Samenwerkingsverbanden.
Extra ondersteuning: de ondersteuning die wordt geboden aanvullend op de basisondersteuning, zoals bedoeld in onder meer de artikelen 18a WPO, 40 WEC en 17a WVO alsmede de daarmee samenhangende bekostiging.
PO-Raad: de Vereniging voor schoolbesturen in het primair onderwijs te Utrecht.
VO-raad: de Vereniging voor schoolbesturen in het voortgezet onderwijs te Utrecht.
Reglement: het Reglement van de Landelijke Arbitragecommissie Samenwerkingsverbanden.
School: een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet onderwijs, die is aangesloten bij een samenwerkingsverband.
Statuten: de statuten van het samenwerkingsverband.
Stichting: Stichting Onderwijsgeschillen te Utrecht.
Voorzitter: de voorzitter van de Landelijke Arbitragecommissie Samenwerkingsverbanden en bij diens ontstentenis of onverenigbaarheid van functies, de vicevoorzitter.
voorzitter: de voorzitter die het geschil behandelt.
secretaris: de ambtelijk secretaris van de Commissie.
secretariaat: het ambtelijk secretariaat van de Commissie en de Stichting.

SAMENSTELLING VAN DE COMMISSIE

Artikel 1

  1. De Commissie die het geschil behandelt bestaat uit drie leden, waaronder een voorzitter. De leden handelen zonder last of ruggespraak.
  2. De verzoekende en de verwerende partij dragen elk een lid van de Commissie voor ten behoeve van de samenstelling van de Commissie die het geschil behandelt. Deze voordracht geschiedt binnen veertien dagen na dagtekening van een daartoe strekkend verzoek van de Voorzitter. De verzoekende en verwerende partij stemmen de voordrachten met elkaar af.
  3. De Voorzitter wijst de door partijen voorgedragen leden van de Commissie en de voorzitter aan als de leden van de Commissie die het geschil behandelt. Indien een partij geen voordracht doet, voorziet daarin de Voorzitter.
  4. Van de aanvaarding van de in lid 3 bedoelde aanwijzing stuurt de Voorzitter per omgaande aan partijen een bevestiging.

BEVOEGDHEID VAN DE COMMISSIE

Artikel 2

  1. De Commissie is bevoegd kennis te nemen en te oordelen over geschillen die door een samenwerkingsverband, of wel bevoegd gezag dat is aangesloten bij dat samenwerkingsverband, aan haar worden voorgelegd aangaande:[3]
    a. de statuten van het samenwerkingsverband;
    b. de onderlinge verhoudingen tussen het samenwerkingsverband en de daarbij aangesloten scholen en bevoegde gezagen;
    c. het door het samenwerkingsverband te voeren beleid ten aanzien van de extra ondersteuning;
    d. de bekostiging van de extra ondersteuning en de verdeling van die bekostiging.
  2. De in lid 1 bepaalde geschillen kunnen ook in de fase voorafgaand aan de bestuurlijke inrichting van het samenwerkingsverband worden voorgelegd aan de Commissie.[4]
  3. Op de behandeling van het geschil zijn de bepalingen van de Algemene wet bestuursrechtniet van toepassing.

VERZOEKSCHRIFT

Artikel 3

  1. Het geschil als bedoeld in artikel 2 van dit reglement wordt aanhangig gemaakt door middel van een gedateerd en ondertekend verzoekschrift dat is gericht aan de Commissie.
  2. Bij het verzoekschrift worden alle op het geschil betrekking hebbende bescheiden gevoegd.
  3. Het verzoekschrift bevat:
    a. de naam en het adres van de verzoeker(s);
    b. de naam en het adres van de verweerder;
    c. een kopie van de arbitrageovereenkomst zoals bedoeld in artikel 4:1020 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
    d. een omschrijving van het verzoek en de gronden waarop dit berust.
  4. Indien het verzoekschrift niet voldoet aan de eisen gesteld in de leden 1, 2 en 3 van dit artikel, stelt de Voorzitter de verzoeker in kennis van het verzuim. Na ontvangst van deze kennisgeving dient verzoeker binnen vijf werkdagen dit verzuim te herstellen.
  5. Alle aan de Commissie over te leggen stukken worden in zesvoud ingediend.
  6. De secretaris tekent op de ingekomen stukken de datum van ontvangst aan en zendt bericht van ontvangst aan de afzender.
  7. Indien het verzoek kennelijk bij een andere Commissie moet worden ingediend, deelt de secretaris dit onverwijld aan de verzoeker mee.

VEREENVOUDIGDE BEHANDELING

Artikel 4

  1. Indien de Commissie kennelijk onbevoegd is deelt de Voorzitter dit onverwijld gemotiveerd aan partijen mede. In andere gevallen oordeelt de Commissie of zij bevoegd is.
  2. In het geval van een mededeling van onbevoegdheid als bedoeld in de eerste volzin van het vorige lid is elke partij gerechtigd de Commissie binnen zes weken na de ontvangst daarvan te verzoeken het geschil alsnog in behandeling te nemen, bij welk verzoek de stelling dat de Commissie bevoegd is, gemotiveerd dient te zijn.

VERWEERSCHRIFT

Artikel 5

  1. In andere gevallen dan die als bedoeld in artikel 4 van dit reglement, zendt de secretaris onmiddellijk na ontvangst van het verzoekschrift of hersteld verzoekschrift een exemplaar daarvan met de daarbij behorende stukken, aan de verweerder en stelt hem in de gelegenheid binnen een termijn van twee weken een verweerschrift in te dienen. De Voorzitter kan hiervoor een andere termijn bepalen. Bij elk exemplaar voegt de verweerder afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De voorzitter kan op basis van een tijdig en met redenen omkleed verzoek van de verweerder, de termijn voor verweer verlengen.
  2. Na ontvangst van het verweerschrift zendt de secretaris onverwijld een exemplaar daarvan, vergezeld van de daarbij behorende afschriften, aan de verzoeker.

REPLIEK EN DUPLIEK

Artikel 6

De Commissie kan de verzoeker in de gelegenheid stellen schriftelijk te repliceren, in welk geval de wederpartij in de gelegenheid wordt gesteld te dupliceren. De voorzitter stelt de termijnen voor repliek en dupliek vast.

VASTSTELLING PLAATS EN TIJDSTIP VAN DE MONDELINGE BEHANDELING

Artikel 7

De V(v)oorzitter bepaalt op zo kort mogelijke termijn de plaats waar en het tijdstip waarop de behandeling van het geschil ter zitting zal plaatsvinden. Aan partijen wordt daarvan tijdig kennis gegeven door een schriftelijke uitnodiging. Bij de uitnodiging wordt medegedeeld uit welke leden de Commissie die het geschil ter zitting zal behandelen, zal zijn samengesteld.

SCHRIFTELIJKE BEHANDELING

Artikel 8

  1. Met eenstemmig goedvinden van de Commissie en partijen kan de behandeling van het geschil schriftelijk geschieden.
  2. Indien de Commissie toepassing geeft aan het vorige lid van deze bepaling, geeft de Commissie partijen de mogelijkheid voor repliek en dupliek binnen door haar te stellen termijnen.

WRAKING EN VERSCHONING

Artikel 9

  1. Een lid van de Commissie, waaronder ook wordt verstaan de voorzitter, kan door ieder der partijen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de onpartijdigheid van het commissielid schade zou kunnen lijden. Ook kan op grond van zodanige feiten of omstandigheden een lid van de Commissie zich verschonen.
  2. Het wrakingsverzoek wordt schriftelijk ingediend zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoekende partij bekend zijn geworden. Ter zitting kan het verzoek ook mondeling geschiede.
  3.  Een lid, wiens wraking is verzocht, kan in de wraking berusten.
  4. Ingeval van een verzoek tot wraking wordt de behandeling van de zaak door de Commissie geschorst onder mededeling aan partijen dat het wrakingsverzoek zo spoedig mogelijk zal worden behandeld door de wrakingskamer van de Stichting Onderwijsgeschillen en dat het onderzoek van de Commissie in de hoofdzaak zal worden voortgezet na en met inachtneming van de beslissing van de wrakingskamer.
  5. De wrakingskamer beslist zo spoedig mogelijk of het verzoek tot wraking wordt toegestaan.
  6. Op de behandeling van het wrakingsverzoek is het reglement van de wrakingskamer van toepassing.

VERVANGING TER ZITTING, GETUIGEN, DESKUNDIGEN

Artikel 10

  1. Partijen kunnen zich ter zitting door een gemachtigde doen vervangen of zich door een gemachtigde doen bijstaan.
  2. De Commissie kan van een gemachtigde die geen advocaat is een schriftelijke machtiging verlangen
  3. De Commissie kan ambtshalve of op verzoek van partijen getuigen en deskundigen oproepen met dien verstande dat zij de namen van de personen uiterlijk op de vierde dag voor de zitting schriftelijk opgeeft aan de partijen.
  4. De Commissie is bevoegd om een van haar leden aan te wijzen om getuigen of deskundigen te horen. In dat geval bepaalt de Commissie het tijdstip van het verhoor en de wijze waarop het verhoor zal geschieden.
  5. Partijen kunnen een of meer getuigen en/of deskundigen ter zitting meebrengen; de partij die van deze bevoegdheid gebruik maakt, doet daarvan uiterlijk 1 week voor de zitting mededeling aan de Commissie en aan de wederpartij onder vermelding van de naam en de woonplaats van de getuige(n) en/of deskundige(n).
  6. De Commissie beslist ter zitting of de getuigen en deskundigen worden gehoord.

DESKUNDIGENONDERZOEK

Artikel 11

  1. De Commissie kan bij tussenbeslissing een of meer deskundigen benoemen tot het uitbrengen van een advies.
  2. De Commissie zendt ten spoedigste afschrift van de benoeming en van de aan de deskundige(n) gegeven opdracht aan de partijen.
  3. De Commissie kan van een partij verlangen, de deskundige(n) de vereiste inlichtingen te verschaffen en de benodigde medewerking te verlenen.
  4. Na ontvangst van het deskundigenbericht wordt dit in afschrift door de Commissie ten spoedigste aan de partijen toegezonden.
  5. Op verzoek van een der partijen en indien de Commissie daar reden toe ziet, wordt/worden de deskundige(n) nadien op een zitting van de Commissie gehoord. Indien een partij zulk een verzoek wenst te doen, deelt zij dit ten spoedigste mede aan de Commissie en aan de wederpartij.
  6. De Commissie stelt de partijen in de gelegenheid, de deskundige(n) vragen te stellen

DE BEHANDELING TER ZITTING

Artikel 12

  1. Het geschil wordt behandeld in een besloten zitting van de Commissie. De voorzitter kan bepalen dat het geschil wordt behandeld in een open zitting.
  2. De voorzitter heeft de leiding van de zitting, hij/zij geeft elk van de partijen de gelegenheid haar standpunt toe te lichten.
  3. Indien voor de sluiting van de zitting blijkt, dat het onderzoek niet volledig is geweest, kan de Commissie bepalen dat de behandeling ter zitting op een door de Commissie te bepalen tijdstip zal worden voortgezet. Daarbij kunnen aan partijen aanwijzingen worden gegeven met betrekking tot het bewijs.
  4. Voordat de behandeling ter zitting is gesloten, deelt de voorzitter mede wanneer uitspraak zal worden gedaan.

HEROPENING ONDERZOEK

Artikel 13

Indien de Commissie van oordeel is dat het onderzoek niet volledig is geweest, kan zij het heropenen. De Commissie bepaalt daarbij op welke wijze het onderzoek wordt voortgezet. De secretaris doet zo spoedig mogelijk mededeling daarvan aan partijen.

BERAADSLAGING

Artikel 14

  1. De Commissie beraadslaagt en beslist in besloten vergadering. Zij beslist bij meerderheid van stemmen.
  2. De Commissie oordeelt naar redelijkheid en billijkheid en grondt haar uitspraak uitsluitend op de stukken die voor de zitting zijn overgelegd alsmede op hetgeen ter zitting naar voren is gebracht en, behoudens indien de wederpartij hierdoor wordt benadeeld, op de stukken die ter zitting zijn overgelegd.

UITSPRAAK

Artikel 15

  1. Binnen zes weken na de laatste zitting dan wel de laatste uitwisseling van stukken doet de Commissie een arbitrale uitspraak zoals bedoeld in boek 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
  2. Op gezamenlijk schriftelijk verzoek van de verzoekende en verwerende partij, gedaan uiterlijk voor aanvang van de hoorzitting, doet de Commissie uitspraak in de vorm van een bindend advies
  3. De uitspraken van de Commissie zijn gedagtekend en houden in:
    a. de vermelding van de (plaatsvervangende) leden van de Commissie die over het geschil een beslissing hebben genomen;
    b. de vermelding van de partijen en hun vestigingsplaats;
    c. een weergave van het door partijen aangevoerde:
    d. de uitspraak van de Commissie en de gronden waarop zij berust.
  4. De uitspraak, door de voorzitter en de secretaris ondertekend, wordt toegezonden aan partijen.
  5. Onder dwingende omstandigheden kan de termijn van lid 1 worden verlengd; de Commissie deelt dit aan partijen mede en doet zo spoedig mogelijk daarna uitspraak.

INTREKKING

Artikel 16

Verzoeker kan bij schriftelijke, gedagtekende en ondertekende kennisgeving of mondeling ter zitting aan de Commissie mededelen dat het verzoek wordt ingetrokken.

TERMIJNEN

Artikel 17

Op de in dit reglement genoemde termijnen is de Algemene Termijnenwet van toepassing. De op grond van deze wet berekende termijnen worden daarenboven verlengd met de vakantieperiodes van de school dan wel scholen waarop het geschil betrekking heeft en het desbetreffende samenwerkingsverband.

GEHEIMHOUDING

Artikel 18

  1. Alle op de zaak betrekking hebbende stukken dienen ter vertrouwelijke kennisneming van de Commissie. Anderen dan de partijen of de gemachtigden en adviseurs mogen vanwege de Commissie deze stukken niet inzien of hiervan afschriften of uittreksels maken.
  2. De leden van de Commissie en de secretaris zullen al hetgeen zij in verband met een geschil vernemen als vertrouwelijk beschouwen.
  3. Zodra de Commissie uitspraak heeft gedaan, zenden de leden de in hun bezit zijnde stukken die op het geschil betrekking hebben, aan het secretariaat, dat zorg draagt voor archivering van één volledig dossier en voor vernietiging van de overige stukken.

AANSPRAKELIJKHEID

Artikel 19

De Commissie, de leden van de Commissie en van het secretariaat, zijn niet aansprakelijk voor de gevolgen van de uitspraken en werkzaamheden.

BEKENDMAKING VAN DE UITSPRAAK

Artikel 20

Het reglement en de uitspraken van de Commissie worden in geanonimiseerde vorm gepubliceerd op de website van de Stichting: www.onderwijsgeschillen.nl

ONVOORZIENE SITUATIES

Artikel 21

In gevallen waarin dit reglement niet voorziet, beslist de voorzitter, de overige leden van de Commissie gehoord.

WIJZIGING EN INWERKINGTREDING VAN HET REGLEMENT

Artikel 22

  1. Een voorstel tot wijziging van dit reglement kan bij de secretaris worden ingediend door:
    a. een lid van de Commissie;
    b. de PO-raad en de VO-raad, zowel gezamenlijk als elk van deze organisaties afzonderlijk.
  2. Wijziging van lid 1.b. van deze bepaling behoeft toestemming van de PO-raad en de VO-raad.
  3. De secretaris belegt acht weken na ontvangst van het in lid 1 bedoelde voorstel een vergadering, waarvoor de persoon of organisatie die het voorstel tot wijziging heeft gedaan, en de Commissie worden uitgenodigd. Tegelijk met de uitnodiging voor de vergadering wordt het wijzigingsvoorstel toegezonden.
  4. Over het wijzigingsvoorstel beslist de Commissie.
  5. De secretaris zendt tijdig voor de datum van ingang het gewijzigde reglement aan de bij de Commissie aangesloten instellingen.

Dit reglement is door de Commissie vastgesteld en in werking getreden op 4 april 2013 en aangepast op 30 oktober 2015.

 

[1] Kamerstukken I, 2012/13, 33 106, N, pag. 7 (verslag van een schriftelijk overleg, vastgesteld 24 januari 2013)
[2] Kamerstukken II, 2012/13, 31 497, nr. 91, pag. 3 (brief van de staatssecretaris van OCW van 16 november 2012) 
[3] Kamerstukken I, 2012/13, 33 106, N, Verslag van een schriftelijk overleg, vastgesteld 24 januari 2013, pag. 7
[4] Kamerstukken I, 2012/13, 32 812, D, voorgesteld 2 oktober 2012