Datum uitspraak: 03-07-2020
Nummer uitspraak: 109169
Type: Uitspraken Onderwijsgeschillen
Sector: Voortgezet onderwijs
Samenvatting 

Situatie 
De werknemer is bij indiensttreding benoemd in de functie van docent LB. Na enkele jaren werd hij benoemd als docent LD en vanaf het schooljaar 2015-2016 is tussen partijen overeengekomen dat de werknemer in de functie van afdelingsleider kon laten zien dat hij LD-waardig is. Zijn toenmalige leidinggevenden vonden dat dit niet het geval was. In het schooljaar 2018-2019 heeft de werknemer een opdracht voor een jaar gekregen om aan te tonen dat hij op LD-niveau functioneert. In het daarop volgende eindgesprek is de werknemer meegedeeld dat hij niet bevorderd zou worden naar een LD-functie. Na een intern bezwaar dat door de werkgever is afgewezen, heeft de werknemer beroep ingesteld bij de Commissie.

Uitspraak van de Commissie 
Het beroep is gegrond.

Toelichting
Het besluit om een werknemer al dan niet terug te plaatsen in de oude functie behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de werkgever. Dit betekent dat de Commissie het besluit niet vol toetst maar uitsluitend beoordeelt of de beoordeling van de werknemer niet kennelijk onjuist is en of de werkgever de juiste procedure heeft gevolgd.
Uit de aan de werknemer verstrekte opdrachtomschrijving blijkt onvoldoende duidelijk wat de werknemer nu moest doen om te voldoen aan de competenties, die horen bij de LD-rol.
Ook zijn de bij de opdrachten behorende subopdrachten nauwelijks beleidsmatig. Dat de benodigde competenties tot uiting dienden te komen in de zogeheten uitdagingen, is de werknemer onvoldoende duidelijk gemaakt. Dit volgt in elk geval niet uit schriftelijke documentatie. Bovendien heeft de werkgever zich niet gehouden aan de eigen procedure, door geen tussentijdse evaluatiemomenten met de werknemer in te plannen.
Daarom heeft de werkgever niet in redelijkheid kunnen besluiten om de werknemer niet te bevorderen naar een LD-functie.

Trefwoorden: