Datum uitspraak: 06-03-2007
Nummer uitspraak: 103381
Type: Uitspraken Onderwijsgeschillen
Samenvatting 

Werknemer is docent en is geschorst en vervolgens ontslagen wegens plichtsverzuim. Het plichtsverzuim bestaat eruit dat de werknemer tijdens een schoolfeest intiem is omgegaan met een leerlinge en te veel gedronken heeft. Vervolgens heeft de werkgever de werknemer tijdens de opzegtermijn op staande voet ontslagen omdat hij meerdere malen contact zou hebben opgenomen met de desbetreffende leerlinge.
De Commissie oordeelt het ontslag op staande voet gegrond omdat niet voldaan is aan het vereiste dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De werknemer was immers al ontslag aangezegd en hij was geschorst tot aan de ingangsdatum van het ontslag, zodat het eventueel contact opnemen met de leerlinge niet al te zwaar kon worden aangerekend.
Het beroep tegen het ontslag wegens plichtsverzuim wordt gegrond verklaard omdat de werkgever wetens en willens heeft afgezien van toepassing van de in artikel H-45 van de CAO-BVE voorgeschreven voornemenprocedure. Gelet op de aard van het beweerde plichtsverzuim en de aanmerkelijke belangen van de werknemer die gemoeid zijn met een ontslag wegens plichtverzuim, is het bewust achterwege laten van de voornemenprocedure zeer laakbaar. De werknemer is geschaad in zijn door de CAO beschermd belang om zich in het kader van een ontslag wegens plichtverzuim adequaat te kunnen verweren tegenover zijn werkgever. De Commissie laat niet ongezegd dat voldoende aannemelijk is geworden dat de werknemer de professioneel in acht te nemen grenzen heeft overschreden maar zij acht een disciplinair ontslag eendisproportionele maatregel.
Beroep gegrond.