Datum uitspraak: 30-11-2011
Nummer uitspraak: 105053
Type: Uitspraken Onderwijsgeschillen
Samenvatting 

De MR heeft een geschil voorgelegd met betrekking tot de nakoming door het instellingsbestuur van een voorwaarde verbonden aan de instemming met een besluit tot fusie. Die voorwaarde luidt als volgt:  Het CvB zegt toe dat eventueel gecentraliseerde stafdiensten evenredig over Y en Z worden verdeeld. De toelichting bij deze voorwaarde luidt: Aangezien nog niet bekend is welke stafdiensten in Y worden gehuisvest, verhuist geen enkele functie binnen de stafdiensten meer van Y naar Z. Volgens de MR is een functie binnen de stafdienst HRM verplaatst  van Y naar Z. Aangezien ten tijde van de indiening van het geschil het medezeggenschapsreglement van A geldend was, ontleent de Commissie haar bevoegdheid kennis te nemen van het geschil aan dat reglement. Een (mogelijk) besluit dat afwijkt van de voorwaarden die de MR heeft verbonden aan zijn instemming met het fusiebesluit is een aangelegenheid die de MR aangaat, waarover volgens het reglement een geschil kan worden ingediend. Derhalve is de Commissie bevoegd kennis te nemen van het geschil. Gelet op de instemming van de huidige MR met voortzetting van het geding moet er rechtens van uitgegaan worden dat de huidige MR procespartij in dit geschil is. Het is voor de Commissie aannemelijk geworden dat het verschuiven van werkzaamheden op gebied van personeels- en salarisadministratie ten tijde van het verlenen van instemming  reeds geruime tijd gaande was en dat het grootste deel van de genoemde werkzaamheden toen al was verplaatst. Er is geen sprake van een besluit, waarmee het instellingsbestuur is afgeweken van de aan de instemming verbonden voorwaarde. De MR is niet ontvankelijk in zijn verzoek.