Datum uitspraak: 24-07-2006
Nummer uitspraak: 103239
Type: Uitspraken Onderwijsgeschillen
Samenvatting 

Het College van Bestuur heeft een nieuwe model-OER vastgesteld waarin de mogelijkheid vervalt dat een student op in de OER vastgestelde voorwaarden alvast begint met een aansluitende masteropleiding zonder in het bezit te zijn van het bachelorgetuigschrift.
De GV en SR menen dat er sprake is van een wijziging van het Instellingsplan en het Studentenstatuut, waarvoor de GV en SR respectievelijk de SR instemmingsrecht hebben.
Door in de model-OER de zogenoemde regel 'BSc-vóór-MSc' op te nemen geeft het College van Bestuur naar de mening van de Commissie een voorschrift aan de decanen die de OER-en dienen vast te stellen. Het voorschrift is een richtlijn als bedoeld in artikel 9.5 WHW en betreft de coördinatie van de toelatingseisen voor de aansluitende masteropleidingen. Er is geen rechtstreeks instemmingsrecht GV en/of SR ten aanzien van een richtlijn aan de decanen. De richtlijn is geen wijziging van het Instellingsplan aangezien het Instellingsplan niet de toelatingseisen voor de aansluitende masteropleidingen vermeldt. Het hebben van het bachelorgetuigschrift als enige toelatingseis kan ook niet gezien worden als een wijziging van de strategische koers van de universiteit. De nieuwe regel dient wel te leiden tot een wijziging van het Studentenstatuut waarvoor de SR instemminsgrecht heeft. Omdat de SR geen rechtstreeks instemmingsrecht heeft t.a.v. de richtlijn c.q. de model-OER of de toelatingseisen voor de aansluitende masteropleidingen, is het instemmingsrecht van de SR beperkt tot de wijze waarop de desbetreffende toelatingseis in het Studentenstatuut wordt opgenomen. Dientengevolge staat de nog door te voeren wijziging van het Studentenstatuut niet aan de inwerkingtreding van de richtlijn in de weg. Het subsidiair voorgelegde instemmingsgeschil oordeelt de Commissie niet-ontvankelijk omdat er geen voorstel ter instemming aan de SR is voorgelegd.