Datum uitspraak: 22-12-2006
Nummer uitspraak: 103382
Type: Uitspraken Onderwijsgeschillen
Samenvatting 

Werknemer is ontslagen wegens plichtsverzuim. Vervolgens is hij op staande voet ontslagen wegens een dringende reden, bestaande uit het meerdere malen contact opnemen met een leerlinge terwijl de werkgever dit verboden had.
Werknemer verzoekt de Voorzitter om doorbetaling salaris en de werkgever op te dragen hem in de gelegenheid te stellen zijn eigen arbeid bij de werkgever te verrichten.
Nu de werknemer reeds 2 maanden geschorst was en tegen de schorsing als zodanig  geen beroep bij de Commissie heeft ingesteld en de werknemer niet eerder een rechtsmiddel heeft aangewend om weer tot het werk te worden toegelaten, acht de Voorzitter thans terzake onvoldoende spoedeisend belang aanwezig. Daar komt bij dat de kerstvakantie spoedig na de behandeling van het verzoek ter zitting ingaat en de Commissie het beroep in de bodemprocedure op korte termijn zal behandelen. Het verzoek om doorbetaling salaris acht de Voorzitter spoedeisend omdat de werknemer vanwege de dringende reden die aan het ontslag op staande voet ten grondslag is gelegd vrijwel zeker geen uitkering zal krijgen en hij een gezin met kinderen heeft.
Daargelaten of kan worden gezegd dat het telefonisch contact opnemen met de leerlinge kan worden aangemerkt als een dringende reden voor ontslag op staande voet, is de Voorzitter van oordeel dat de werkgever niet, althans onvoldoende, aannemelijk heeft gemaakt dat de werknemer met leerlinge C. telefonisch contact heeft opgenomen. De Voorzitter acht het voldoende waarschijnlijk dat de Commissie van beroep het beroep tegen het ontslag op staande voet in de bodemprocedure gegrond zal verklaren.
Gevraagde voorziening tot doorbetaling salaris wordt toegewezen.