Reglement Geschillencommissie passend onderwijs

[1] Reglement Landelijke geschillencommissie passend onderwijs

Met inachtneming van:

  • [2] de Wet passend onderwijs van 11 oktober 2012 (Stb. 2012, nr. 533);
  • [3] het Besluit van 12 februari 2014 (Stb. 2014, 95),
  • [4] de Wet o.a. ter herstel van wetstechnische gebreken, van 7 februari 2013, (Stb. 2013, 88);
  • [5] de Wet van 10 februari 2017 invoering vaststellen handelingsdeel ontwikkelingsperspectief na overeenstemming met de ouders (Stb 2017, 71).

Artikel 1 Begripsbepalingen

Dit reglement verstaat onder:

  1. Commissie: Landelijke geschillencommissie passend onderwijs als bedoeld in artikel 44 van de Wet op de expertisecentra, artikel 43 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 27c van de Wet op het voortgezet onderwijs
  2. bevoegd gezag: het bevoegd gezag zoals bedoeld in artikel 44 van de Wet op de expertisecentra, artikel 43 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 27c van de Wet op het voortgezet onderwijs;
  3. school: school zoals bedoeld in artikel 44 van de Wet op de expertisecentra, artikel 43 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 27c van de Wet op het voortgezet onderwijs;
  4. verzoek: verzoek als bedoeld in artikel 44 van de Wet op de expertisecentra, artikel 43 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 27c van de Wet op het voortgezet onderwijs;
  5. verzoeker: ouder zoals bedoeld in artikel 44 van de Wet op de expertisecentra, artikel 43 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 27c van de Wet op het voortgezet onderwijs;
  6. verweerder: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 44 van de Wet op de expertisecentra, artikel 43 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 27c van de Wet op het voortgezet onderwijs;
  7. voorzitter: voorzitter van de Commissie;
  8. stichting: Stichting Onderwijsgeschillen;
  9. secretaris: ambtelijk secretaris van de Commissie;
  10. secretariaat: ambtelijk secretariaat van de Commissie en de Stichting;
  11. oordeel: oordeel van de Commissie als bedoeld in artikel 44 van de Wet op de expertisecentra, artikel 43 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 27c van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Artikel 2 Bevoegdheid Commissie

De Commissie is bevoegd in geschillen tussen verzoeker en verweerder die ontstaan bij de toepassing van:

  1.  [6] artikel 40, vierde, vijfde, zesde en achttiende lid, artikel 41, tweede lid onderdeel a van de Wet op de expertisecentra, artikel 40 derde, vierde, vijfde en elfde lid van de Wet op het primair onderwijs, en artikel 27, eerste lid, derde volzin en de leden 2b, 2c en 2d van de Wet op het voortgezet onderwijs;
  2.  [7] artikel 41a, eerste en vijfde lid van de Wet op de expertisecentra, artikel 40a eerste en vijfde lid van de Wet op het primair onderwijs en artikel 26 eerste en vijfde lid van de Wet op het voortgezet onderwijs.

In de voetnoot is dit artikel toegelicht

Artikel 3  Samenstelling Commissie

  1. Voor de behandeling van ieder verzoek bestaat de Commissie uit één voorzitter en twee leden.
  2. De voorzitter is een jurist.
  3. De voorzitter bepaalt op voorstel van het secretariaat de samenstelling van de Commissie die het verzoek behandelt.

Artikel 4 Indienen van een verzoekschrift

  1. Verzoeker dient een verzoek schriftelijk bij de Commissie in.
    a. Indien redelijkerwijs niet van verzoeker gevraagd kan worden het verzoek op schrift te stellen, maakt het secretariaat van het mondeling ingediend verzoek een verslag dat door verzoeker voor akkoord wordt ondertekend en waarvan verzoeker een afschrift ontvangt.
    b. De termijn voor het indienen van een verzoek bedraagt zes weken.
    c. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het ontwikkelingsperspectief of de beslissing over toelaten, of verwijderen zoals bedoeld in artikel 2 van dit reglement is bekendgemaakt.
    d. Indien het verzoek na de daarvoor gestelde termijn is ingediend, laat de Commissie niet-ontvankelijkheidsverklaring achterwege, indien redelijkerwijze niet kan worden geoordeeld dat verzoeker in verzuim is geweest.
    e. Indien het verzoekschrift in een vreemde taal is gesteld en een vertaling voor de goede behandeling van het verzoek noodzakelijk is, dient verzoeker zorg te dragen voor vertaling.
  2. Het verzoekschrift bevat ten minste:
    a. de naam en het adres van verzoeker en zo nodig de gekozen woonplaats voor de duur van de procedure; 
    b. de naam van verweerder;
    c. een omschrijving van het verzoek en de feiten en omstandigheden, zoals die zich volgens verzoeker hebben voorgedaan; 
    d, de dagtekening en ondertekening door verzoeker; en 
    e. afschriften van de op het verzoek betrekking hebbende stukken.
  3. Indien een verzoek wordt ingediend door een gemachtigde, dient het verzoek vergezeld te gaan van een schriftelijke machtiging dan wel dient verzoeker het verzoek voor akkoord mede te ondertekenen.
  4. Voor indiening door een advocaat is geen schriftelijke machtiging nodig.

Artikel 5  Mededeling door het secretariaat

  1. Onmiddellijk na ontvangst van het verzoekschrift bevestigt het secretariaat schriftelijk de ontvangst aan verzoeker en verweerder.
  2.  [8] Indien het verzoekschrift betrekking heeft op een toelating of verwijdering van een leerling, wijst het secretariaat in de ontvangstbevestiging als bedoeld in het vorige lid, uitdrukkelijk op het bepaalde in artikel 40, twintigste lid en artikel 61, derde lid van de Wet op de expertisecentra, artikel 40, elfde lid en artikel 63, derde lid van de Wet op het primair onderwijs, artikel 27, elfde lid van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 15, tweede lid van het Inrichtingsbesluit WVO, voor zover een of meer van die bepaling op verweerder van toepassing zijn.
  3. Indien het verzoek kennelijk bij een andere instantie moet worden aangebracht, zendt de secretaris na overleg met verzoeker het verzoekschrift, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk door aan de bevoegde instantie. In dat geval blijven het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit artikel buiten toepassing.

In de voetnoot is dit artikel toegelicht

Artikel 6  Verzuimherstel

  1. Indien niet voldaan is aan het bepaalde van het eerste, tweede of derde lid van artikel 4 van dit reglement wordt door het secretariaat verzoeker binnen een door de voorzitter te bepalen termijn in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen, met de mededeling dat indien verzoeker hieraan niet, niet tijdig of onvoldoende voldoet, de voorzitter het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk kan verklaren.
  2. Verzoeker wordt zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen drie weken nadat het verzoek is ingediend dan wel verzoeker heeft voldaan aan het verzoek tot verzuimherstel schriftelijk in kennis gesteld van de beslissing van de voorzitter of het verzoek verder in behandeling wordt genomen.

Artikel 7  Verweer

  1. [9] Zodra is besloten dat het verzoek in behandeling wordt genomen, nodigt de Commissie de verweerder schriftelijk uit om binnen een termijn van twee weken een schriftelijk verweer met eventuele bijlagen in zesvoud bij de Commissie in te dienen.
  2. De voorzitter kan deze termijn op een tijdig en met redenen omkleed verzoek van verweerder met ten hoogste een week verlengen.
  3. De Commissie zendt, behoudens het bepaalde in artikel 10 van dit reglement, een afschrift van het verweerschrift met de daarbij meegestuurde bijlagen aan verzoeker.

In de voetnoot is dit artikel toegelicht

Artikel 8  Het inwinnen van inlichtingen

  1. Ter voorbereiding van de behandeling van het verzoek kunnen door of namens de Commissie bij verzoeker, verweerder en anderen hetzij schriftelijk, hetzij mondeling nadere inlichtingen worden ingewonnen. Verzoeker en verweerder worden hiervan op de hoogte gesteld.
  2. Tot en met drie werkdagen voor de zitting kunnen verzoeker en verweerder nadere stukken indienen. Te laat ingediende stukken worden niet toegelaten als dossierstuk, tenzij hierdoor naar het oordeel van de voorzitter het belang van de wederpartij niet wordt geschaad.
  3. Voor zover met verzoeker, verweerder en anderen door of namens de Commissie met betrekking tot de inhoud van het verzoek en het verweer gesprekken plaatsvinden, draagt de Commissie zorg voor verslaglegging en zendt een afschrift aan verzoeker en verweerder.

Artikel 9  Kennisgeving ingediende stukken

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 10 worden alle bij de Commissie in het kader van de behandeling van het verzoek ingediende stukken aan partijen in afschrift toegestuurd.
  2. De voorzitter kan beslissen dat een stuk niet relevant is voor de behandeling van het verzoek en het terugzenden aan degene die het heeft ingediend.

Artikel 10  Geheimhouding

  1. Op verzoek van verzoeker of verweerder kan de voorzitter bepalen dat een ingediend stuk op grond van zeer gewichtige redenen niet ter kennis van de wederpartij wordt gebracht. De voorzitter kan dit ook ambtshalve doen. Van deze beslissingen wordt aan partijen melding gemaakt.
  2. Indien de voorzitter een verzoek tot geheimhouding van stukken afwijst, worden de desbetreffende stukken aan de indiener ervan geretourneerd en betrekt de Commissie deze niet in de oordeelsvorming.
  3. Indien de voorzitter tot geheimhouding van enig stuk of inlichting heeft besloten, wordt daarvan melding gemaakt in het schriftelijk oordeel van de Commissie, onder opgave van de aard van het stuk en de gevolgen die de Commissie daaraan verbonden heeft.

Artikel 11  Vereenvoudigde behandeling

  1. De voorzitter kan tot 3 werkdagen voor de zitting de behandeling van het verzoek zonder behandeling ter zitting sluiten, indien:
    a. de Commissie kennelijk onbevoegd is tot behandeling van het verzoek;
    b. de verzoeker kennelijk niet-ontvankelijk is in zijn verzoek;
    c. het verzoek kennelijk ongegrond is; of
    d. het verzoek kennelijk gegrond is.
  2. In de beslissing tot sluiting van het onderzoek als bedoeld in het vorige lid, wordt verzoeker gewezen op de mogelijkheid binnen 7 kalenderdagen na dagtekening van deze beslissing schriftelijk bezwaar te maken bij de voorzitter
  3. Indien het onderzoek wordt gesloten wegens kennelijke gegrondheid van het verzoek, wordt verweerder gewezen op de mogelijkheid om binnen 7 kalenderdagen na dagtekening van deze beslissing schriftelijk bezwaar te maken bij de voorzitter.
  4. Indien verzoeker of verweerder naar het oordeel van de voorzitter gegronde bezwaren heeft tegen de beslissing van de voorzitter, wordt het verzoek alsnog ter zitting gebracht.

Artikel 12 Schriftelijke behandeling

  1. Op verzoek van beide partijen gezamenlijk kan de behandeling van het verzoek schriftelijk geschieden.
  2. De voorzitter kan na ontvangst van het verweerschrift ook ambtshalve besluiten een verzoek uitsluitend schriftelijk te behandelen. De voorzitter deelt dit besluit gemotiveerd aan verzoeker en verweerder mee. Tegen dit besluit kunnen verzoeker of verweerder binnen 7 kalenderdagen na dagtekening van dit besluit schriftelijk bezwaar maken. Dit bezwaar wordt ook behandeld door deze voorzitter.
  3. Indien de voorzitter het bezwaar gegrond acht, wordt het verzoek alsnog ter zitting gebracht.
  4. Indien het verzoek uitsluitend schriftelijk wordt behandeld, stelt de voorzitter termijnen voor de indiening van de schriftelijke reacties van verzoeker (repliek), respectievelijk verweerder (dupliek).
  5. Indien de inhoud van repliek of dupliek daartoe aanleiding geeft, kan de Commissie besluiten alsnog tot mondelinge behandeling van het verzoek over te gaan.

Artikel 13  Vaststelling zittingsdag en uitnodiging voor de zitting.

  1. De voorzitter bepaalt dag, plaats en tijdstip van de zitting.
  2. De Commissie nodigt verzoeker en verweerder schriftelijk uit voor de zitting. Bij de uitnodiging wordt medegedeeld uit welke personen de Commissie zal zijn samengesteld.

Artikel 14 Procedure ter zitting

  1. De zittingen van de Commissie zijn niet openbaar.
  2. De behandelend voorzitter bepaalt de gang van zaken ter zitting.
  3. Tijdens de zitting krijgen verzoeker en verweerder gelegenheid:
    a. hun zienswijze naar voren te brengen;
    b. zich door een gemachtigde te laten bijstaan of vertegenwoordigen;
    c. getuigen en informanten door de Commissie te laten horen; en
    d. zich te laten vergezellen door één aan hen vertrouwd persoon.
  4. De Commissie hoort verzoeker en verweerder in elkaars aanwezigheid, tenzij zwaarwichtige redenen zich daartegen verzetten.
  5. Indien partijen op grond van de voorgaande leden van dit artikel niet in elkaars aanwezigheid worden gehoord, is het de gemachtigde van ieder der partijen toegestaan bij het horen aanwezig te zijn.
  6. De Commissie hoort een minderjarige getuige in beginsel buiten aanwezigheid van partijen. De gemachtigden van partijen mogen aanwezig zijn bij het horen van deze getuige.
  7. Indien (een der) partijen niet worden bijgestaan door een gemachtigde zal de voorzitter, na het horen buiten elkaars aanwezigheid, een samenvatting geven van hetgeen is besproken.

Artikel 15  Getuigen en informanten

  1. Door partijen aangebrachte getuigen en informanten dienen tenminste twee werkdagen voorafgaand aan de zittingsdatum schriftelijk te worden aangemeld bij de Commissie.
  2. De Commissie kan bepaalde personen als getuige of als informant voor de zitting uitnodigen. Voor deze personen bestaat er een reiskostenregeling.
  3. De Commissie deelt schriftelijk aan verzoeker en verweerder mee de naam en hoedanigheid van een door de Commissie uitgenodigde getuige of informant tenminste twee werkdagen voorafgaand aan de zittingsdatum.
  4. Verzoeker en verweerder kunnen op eigen kosten getuigen en informanten, die zij door de Commissie willen doen horen, meebrengen.
  5. De Commissie kan ter zitting besluiten het horen van een getuige of informant achterwege te laten.

Artikel 16  Tolken
Indien verzoeker, verweerder, een getuige of een deskundige, de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, kan deze zich op eigen kosten doen bijstaan door een tolk.

Artikel 17 Horen ter zitting

  1. Na opening van de zitting krijgen partijen en hun gemachtigden de gelegenheid het woord te voeren.
  2. Vervolgens zal de Commissie de toegelaten getuigen en informanten in beginsel buiten elkaars aanwezigheid horen, waarbij partijen aan de Commissie voorstellen kunnen doen met betrekking tot de te stellen vragen.
  3. Na afloop van het horen van getuigen en informanten krijgen partijen opnieuw de gelegenheid het woord te voeren.
  4. De behandelend voorzitter sluit het onderzoek ter zitting. Na sluiting van het onderzoek beraadslaagt de Commissie in raadkamer over het uit te brengen advies.
  5. De Commissie kan in raadkamer besluiten de behandeling van het verzoek te heropenen en doet hiervan mededeling aan partijen.

Artikel 18  Wraking en verschoning

  1. Een lid van de Commissie, waaronder ook wordt verstaan de voorzitter, kan door ieder der partijen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de onpartijdigheid van het commissielid schade zou kunnen lijden. Ook kan op grond van zodanige feiten of omstandigheden een lid van de Commissie zich verschonen.
  2. Het wrakingsverzoek wordt schriftelijk ingediend zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoekende partij bekend zijn geworden. Ter zitting kan het verzoek ook mondeling geschieden.
  3. Een lid, wiens wraking is verzocht, kan in de wraking berusten.
  4. Ingeval van een verzoek tot wraking wordt de behandeling van de zaak door de Commissie geschorst onder mededeling aan partijen dat het wrakingsverzoek zo spoedig mogelijk zal worden behandeld door de wrakingskamer van de Stichting Onderwijsgeschillen en dat het onderzoek van de Commissie in de hoofdzaak zal worden voortgezet na en met inachtneming van de beslissing van de wrakingskamer.
  5. De wrakingskamer beslist zo spoedig mogelijk of het verzoek tot wraking wordt toegestaan.
  6. Op de behandeling van het wrakingsverzoek is het reglement van de wrakingskamer van toepassing.

Artikel 19  Beslissing in raadkamer

  1. Na sluiting van het onderzoek beraadslaagt de Commissie in raadkamer over het uit te brengen oordeel.
  2. Het oordeel wordt vastgesteld in een beraadslaging van de behandelend voorzitter en twee leden.
  3. De Commissie beslist met meerderheid van stemmen.

Artikel 20  Inhoud oordeel

  1. De Commissie geeft in haar oordeel een gemotiveerd oordeel over de gegrondheid van het verzoek.
  2. De Commissie kan in haar oordeel tevens aanbevelingen doen.
  3. Uit het oordeel blijkt van hetgeen tijdens de hoorzitting is verhandeld.
  4. Het oordeel vermeldt de namen van de leden van de Commissie, alsmede de datum waarop het advies is vastgesteld en wordt door de behandelend voorzitter en de secretaris ondertekend.

Artikel 21 Bekendmaking oordeel
Het oordeel van de Commissie wordt naar partijen gezonden en zeven kalenderdagen daarna in geanonimiseerde en samengevatte vorm gepubliceerd op de website van de stichting Onderwijsgeschillen.

Artikel 22  Vertrouwelijke behandeling

Het is de leden van de Commissie en de secretaris verboden:
a.   hetgeen zij als zodanig te weten zijn gekomen openbaar of aan derden bekend te maken;
b.   de gevoelens bekend te maken welke in besloten vergaderingen of zittingen van de Commissie over aanhangige verzoeken zijn geuit; en
c.   over aanhangige verzoeken of over verzoeken die naar hun vermoeden of weten voor hen aanhangig gemaakt zullen worden, anders dan in Commissieverband, contacten met derden te hebben en/of inlichtingen in te winnen.

Artikel 23 Onvoorziene situaties
In gevallen waarin dit reglement niet voorziet beslist de voorzitter van de Commissie, en in een aanhangig geschil de behandelend voorzitter gehoord de overige leden van de Commissie.

Artikel 24 Klagen over de bejegening door de Commissie 

  1. Een klacht van een partij over de bejegening van de kant van de GPO in een die partij betreffend dossier zal worden behandeld door een voorzitter van de GPO. Deze voorzitter is niet de voorzitter van de Commissie die over het dossier het oordeel heeft uitgebracht.
  2. De voorzitter zal nader onderzoek instellen bij het betreffende lid en de secretaris alsmede zo nodig de overige commissieleden en daarna de klager zo snel mogelijk omtrent zijn bevindingen berichten, onder verzending van een afschrift naar de leden en de secretaris van de behandelende Commissie.
  3. Niet kan worden geklaagd over de inhoud, motivering en aanbevelingen van een oordeel, noch over de totstandkoming ervan met inbegrip van de in dat kader genomen beslissingen van procedurele aard. Evenmin kan worden geklaagd over de inhoud en motivering van een beslissing om een verzoekschrift niet in behandeling te nemen.

Artikel 25  Wijziging reglement

  1. De Commissie kan het reglement wijzigen. Zij zendt een afschrift van het besluit tot wijziging aan de stichting.
  2. De Commissie maakt een wijziging zoals bedoeld in het vorige lid openbaar via publicatie op het internet.

Artikel 26 Citeerbepaling
Dit reglement kan worden aangehaald als: Reglement Landelijke geschillencommissie passend onderwijs.

Artikel 27 Inwerkingtreding
Dit reglement treedt in werking met ingang van 1 augustus 2014 en is aangepast op 30 oktober 2015, 16 mei 2017 en 1 augustus 2017

Vastgesteld op 26 juni 2014 te Utrecht.

---------------------------------------------------------------------------------------------------

Voetnoten

[1] In de Wet passend onderwijs wordt de geschillencommissie aangeduid met: Tijdelijke geschillencommissie toelating en verwijdering. In het Besluit is de naam iets anders, namelijk Tijdelijke landelijke geschillencommissie toelating en verwijdering. In de toelichting behorend bij dit Besluit wordt de commissie genoemd de Landelijke geschillencommissie passend onderwijs (pag. 30). Voor deze meer generieke naam is ook hier gekozen omdat de onderwerpen van het geschil zich niet beperken tot toelating en verwijdering.

[2] Wet van 11 oktober 2012 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met een herziening van de organisatie en financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs.

[3] Dit is de AmvB passend onderwijs van 12 februari 2014 tot wijziging van diverse besluiten in verband met een herziening van de organisatie en financiering van de ondersteuning van leerlingen in het basisonderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs,

[4] Wet van Wet van 7 februari 2013 tot wijziging van diverse wetten op het terrein van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om wetstechnische gebreken te herstellen, om de mogelijkheid tot afwijking van de wet bij lagere regelgeving in bepaalde gevallen te beëindigen, om uitgewerkte overgangsbepalingen te schrappen en het nog geldend overgangsrecht over te brengen naar de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra en om de naamgeving van de ministeries aan te passen.

[5]] Wet van 10 februari 2017 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de invoering van het vaststellen van het handelingsdeel van het ontwikkelingsperspectief na overeenstemming met de ouders

[6] Kort gezegd: a] de toelating van een leerling die extra ondersteuning behoeft tot scholen die vallen onder de samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs (regulier onderwijs plus cluster 3 en 4), b] de beoordeling of de leerling in aanmerking komt voor cluster 1-2-onderwijs, en c] de verwijdering van alle leerlingen (regulier onderwijs plus de clusters 1 t/m 4).

[7] Kort gezegd: het vast- of bijstellen van het ontwikkelingsperspectief (regulier onderwijs en cluster 1 t/m 4).

[8] Hiermee wordt uitdrukking gegeven aan de betreffende bepalingen over de GPO in de Wet passend onderwijs dat het bevoegd gezag de beslissing op bezwaar niet neemt dan nadat de GPO heeft geoordeeld. In het Besluit van 12 februari 2014 is opgenomen dat de schoolbesturen in de uitvoering van hun toelatingsbeleid rekening er rekening mee moeten houden dat ouders, wanneer zij het niet eens zijn met de beslissing van het bevoegd gezag, een geschil aanhangig kunnen maken bij de landelijke geschillencommissie. Indien er sprake is van een ingediend geschil, moet het bevoegd gezag van de school rekening houden met het oordeel van deze landelijke geschillencommissie (Besluit 12-02-'14, p. 30). Daarom informeert de GPO het bevoegd gezag dat bij haar een geschil aanhangig is gemaakt. 

[9] De verweertermijn is twee weken vanwege de eis in de Wet passend onderwijs dat de Commissie binnen 10 weken haar oordeel uitbrengt.