Datum uitspraak: 24-12-2013
Nummer uitspraak: 105936
Type: Uitspraken Onderwijsgeschillen
Samenvatting 

Werknemer, docent lo, heeft volgens de werkgever een leerling op de grond gewerkt en geschopt. Hierop is de docent ontslagen, primair wegens plichtsverzuim, subsidiair wegens andere met name genoemde gewichtige omstandigheden. Voorts is hij geschorst tot het (voorgenomen) einde van het dienstverband. De werknemer weerspreekt de feiten. Over de feitelijke toedracht van het incident zijn door meerdere leerlingen op verschillende data verklaringen afgelegd. Deze leveren geen eenduidige schets op van hetgeen zich heeft voorgedaan. Nu er aan de gedraging van de werknemer de zwaarst denkbare disciplinaire maatregel van ontslag verbonden wordt, behoort geen twijfel te bestaan over de toedracht van het voorval. Omdat deze twijfel er wel is, wordt aangenomen dat niet is aangetoond dat de werknemer de leerling actief naar de grond heeft gewerkt en dat hij schoppende bewegingen heeft gemaakt. Daarom zijn de aan de bestreden beslissingen ten grondslag gelegde feiten niet komen vast te staan. Derhalve kan niet worden geconcludeerd tot plichtsverzuim zodat de werkgever het dienstverband niet op deze grond had mogen opzeggen. Subsidiair is het dienstverband opgezegd vanwege andere met name genoemde gewichtige omstandigheden. De werkgever heeft daartoe aangevoerd dat het vertrouwen in het functioneren van de werknemer onherstelbaar is beschadigd. De door de werkgever aangevoerde argumenten ten aanzien van deze vertrouwensbreuk zijn geplaatst of te plaatsen in het kader van het gestelde plichtsverzuim. Daarmee heeft de werkgever onvoldoende aangetoond dat sprake is van een vertrouwensbreuk. Beroep tegen ontslag gegrond.
Het beroep tegen de schorsing in afwachting van de voorgenomen beëindiging van het dienstverband is, omdat de werkgever ook daadwerkelijk heeft opgezegd, ongegrond.