Datum uitspraak: 08-01-2010
Nummer uitspraak: 104309
Type: Uitspraken Onderwijsgeschillen
Samenvatting 

De werknemer is aangehouden op verdenking van een zedenmisdrijf. Hij heeft toegegeven onzedelijke handelingen met een minderjarige te hebben gepleegd. Hij is in eerste instantie geschorst. Hierop is een tweede schorsing gevolgd en ontslag wegens gewichtige redenen die primair bestaan uit omstandigheden die een dringende reden voor ontslag vormen en subsidiair uit verandering van omstandigheden als bedoeld in artikel 7:685 BW. De werkgever heeft verzuimd de werknemer in de gelegenheid te stellen zich tegen de verlenging van de schorsing te verweren. Dit is in strijd met de artikel 8.b.8 CAO-VO. Ontslag wegens dringende reden is niet reëel aangezien de werknemer een opzegtermijn is gegund van drie maanden. Wel heeft de werkgever in redelijkheid kunnen stellen geen vertrouwen meer te hebben in een onbelemmerd functioneren van de werknemer. Van de werkgever kan niet worden gevergd dat hij de arbeidsovereenkomst in stand houdt. Daarbij speelt de aard van de handelingen en de feitelijke werkzaamheden van de werknemer ook een rol. Die zijn naar het oordeel van de Commissie op dit moment onverenigbaar met elkaar. Het beroep tegen de verlengde schorsing gegrond; beroep tegen ontslag ongegrond.