Datum uitspraak: 01-05-2019
Type: Uitspraken Ondernemingskamer
Door: 
Ondernemingskamer Gerechtshof Amsterdam
Samenvatting 

Op 14 december 2018 deed de Landelijke Commissie voor Geschillen WMS (LCG WMS) uitspraak (108365) in onder meer een nalevingsgeschil over de kosten van rechtsbijstand die de OMR had gemaakt in een instemmingsgeschil voor de Commissie. Tegen deze uitspraak stelde de OMR beroep in bij de Ondernemingskamer.
De Ondernemingskamer bevestigde op 1 mei 2019 de uitspraak van de LCG WMS  

Toelichting

De school is per 1 augustus 2018 gesloten. De OMR weigerde in te stemmen met de voorgestelde regeling van de gevolgen voor ouders/leerlingen van de sluiting. Daarop vroeg het bevoegd gezag de Commissie om vervangende instemming voor zijn voorstel. En het bevoegd gezag weigerde de kosten van de advocaat van de OMR voor het bijstaan van de OMR in dat instemminggeschil te vergoeden. De Commissie gaf het bevoegd gezag toestemming om het besluit tot regeling van de gevolgen van de sluiting van de school te nemen. Het verzoek van de OMR (nalevingsgeschil) tot vergoeding van de kosten van het voeren van het instemmingsgeschil, wees de Commissie af. Het bevoegd gezag had de advocaat van de OMR meermaals verzocht om een kostenraming. De Commissie oordeelde dat die kosten dan ook niet voor vergoeding door het bevoegd gezag in aanmerking komen: een bevoegd gezag moet in de gelegenheid gesteld zijn om zich een oordeel te vormen over de noodzakelijkheid van de te maken kosten van rechtsbijstand. Dat had de OMR of haar advocaat niet gedaan. 
Maar de kosten voor het voeren van het nalevingsgeschil bij de Commissie kwamen volgens de Commissie wel voor vergoeding in aanmerking, omdat dat altijd noodzakelijke kosten zijn; de Commissie waardeerde deze kosten op 7 uur tegen het geldende tarief van de advocaat. 
De Ondernemingskamer is met de Commissie van oordeel dat de kosten van de gemachtigde in het instemmingsgeschil niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat de gemachtigde niettegenstaande herhaald verzoek geweigerd had daarvan vooraf opgave te doen.
Ook bevestigde de Ondernemingskamer het oordeel van de LCG WMS wat betreft de (raming van de) kosten van rechtsbijstand in het nalevingsgeschil.
Voorts begrootte de Ondernemingskamer de kosten voor het voeren van de procedure voor de OK (die immers ook het nalevingsgeschil betrof) op 10 uur tegen € 160 per uur.

Downloaden